Steun ons en help Nederland vooruit

woensdag 29 november 2017

Artikel 43 vragen inzake Jeugdzorg

Aan de griffier van de gemeenteraad van RoermondD66 Roermond

Roermond, 20 november 2017.

Betreft: Schriftelijke vragen ex. Artikel 43 R.v.O inzake Jeugdzorg.

Geachte griffier,
Hierbij verzoeken wij u bijgaande vragen ex. Artikel 43 R.v.O van de gemeenteraad van Roermond door te leiden naar het college van B&W.

Inleiding,
TROUW 17 november 2017 Grootschalig onderzoek naar hulpverlening JEUGDZORG in Zuid-Oost Brabant.

De decentralisatie van de jeugdzorg heeft gezorgd voor een cultuur van wantrouwen onder zorgprofessionals.
Het was de bedoeling dat de hulp aan kwetsbare kinderen door de verschuiving van rijk naar gemeenten zou verbeteren en zou zorgen voor snellere hulp waarin ‘het kind centraal’ staat.

De slechte samenwerking tussen diverse partners blijkt uit onderzoek van Fontys Hogeschool in zes Brabantse gemeenten naar de jeugdzorg. Grootste probleem sinds de decentralisatie is dat zorgverleners niet weten wat ze van elkaar moeten verwachten. Ze twijfelen ook over hun eigen rol.

Het ‘gedroomde domeinoverstijgende en multidisciplinaire samenwerken’ komt niet van de grond, concluderen de onderzoekers.

De definitieve resultaten van het onderzoek worden aan het einde van deze maand gepubliceerd. In Trouw een voorpublicatie met onthutsende voorbeelden. Naar aanleiding hiervan de volgende vragen:

  1. Bent u het met ons eens dat het artikel in Trouw een onthutsend beeld geeft van de jeugdzorg in de regio Zuid-Oost Brabant?
  2. Is er in Midden Limburg en meer specifiek in de gemeente Roermond onderzoek gedaan naar de stand van zaken rond de Jeugdzorg? Met name als het gaat om de situatie op de werkvloer en in het werkveld?
  3. Als dat niet het geval is, hoe bent u dan op de hoogte van deze ontwikkelingen bij de Jeugdzorg?
  4. Herkent u op enigerlei wijze dat binnen Jeugdzorg in de regio Roermond:
    1. onderling wantrouwen bestaat tussen zorgprofessionals;
    2. zorgprofessionals onder druk staan vanwege dreigend ontslag;
    3. de samenwerking en de coördinatie tussen zorgpartners (sociale wijkteams, zorgadviesteams, Centrum voor Jeugd en Gezin, gezondheidscentrum, crisisteam, Veilig Thuis, etc.) chaotisch verloopt;
    4. hierdoor niet naar gezamenlijke oplossingen gezocht wordt;
    5. dossiers incompleet zijn;
    6. de bureaucratie is toegenomen;
    7. kinderen, om wie het gaat, in de gesprekken naar de achtergrond verdwijnen;
    8. ouders en kinderen nauwelijks worden betrokken bij besprekingen over hun problemen;
    9. de domeinoverstijgende en multidisciplinaire samenwerking niet of slechts moeizaam van de grond komt;
    10. pogingen om preventief, integraal en laagdrempelig te werken resultaten opleveren;
    11. jeugdzorgdeskundigen naar andere zorgdomeinen vertrekken i.v.m. onvrede over het niet kunnen verlenen van goede jeugdzorg.
  5. Indien de situatie in Roermond vergelijkbaar is met die in Zuid-Oost Brabant zouden alle alarmbellen moeten gaan rinkelen. Tot op heden lijkt het alsof er in de regio Roermond weinig tot niets aan de hand is. De verstrekte informatie is niet alarmerend, zelfs positief. Hoe denkt u in de komende periode bovengenoemde zaken (4), met name in het werkveld, op de werkvloer, te kunnen monitoren en ons binnen de commissie en/of Raad hiervan op de hoogte te brengen/houden?

Chrit Achten Fractievoorzitter D66